Energie-Blog

André Jurres

24 nov 2014
137

Indien de overheid een overeenkomst kan bereiken met de huidige eigenaar van de kerncentrales, dan dient dit in ieder geval volgens het 'open boek'-principe te gebeuren. Zo kunnen financiële experten constant controleren welke marge er gemaakt wordt op dergelijke centrales. Men dient als overheid te werken met een geplafonneerd rendement, ongeveer 6 tot 7% rendement op het geïnvesteerd vermogen (lees: de investeringen die nodig zijn om de centrales langer open te houden) + operationele kosten (lees: brandstofkosten, onderhouds- en personeelskosten). De marge boven dit rendement komt het best in een apart fonds dat kan dienen als basis voor de uitgewerkte langetermijnstrategie (lees: het energieakkoord of energiepact).

De 61 miljard euro indachtig die nodig zijn de komende decennia om alleen onze energieproductie te verzekeren maken het noodzakelijk dat er ook echt geld staat achter welke strategie dan ook. Eén van de gebreken van het Nederlandse energieakkoord is het ontbreken van harde doelstellingen en de daarbij behorende middelen.

De hoofdreden om de kerncentrales langer open te houden is zoals gezegd om ons tijd te geven om een echt alternatief uit te bouwen op de lange termijn. Het verkrijgen van draagvlak is ook belangrijk in zo'n oefening daar de perceptie leeft dat energie (elektriciteit) duur is terwijl het eigenlijk veel te goedkoop is. Een heel jaar elektriciteit voor de prijs van een iPad, begrijpen wie begrijpen kan.

Men dient te begrijpen dat de financiële markt vandaag moeilijk tientallen miljarden in onze sector kan injecteren met termijnen van decennia. Bazel 3 en andere eisen nopen de banken om hun risico's nog meer te spreiden en men merkt dat investeringen van meer dan tien jaar problematisch kunnen zijn.

Net zoals in oorlogstijd om de kosten van investeringen te betalen waar men oorlogsobligaties uitgaf (als overheid), dient men na te gaan of we nu energieobligaties kunnen uitgeven (op 20/30 jaar) om zo de bevolking, fondsen en privékapitaal mee te laten participeren in onze energie-infrastructuur.

Als we erin slagen om de financiële markt een gecombineerde zekerheid te geven met enerzijds overheidsreserves komende vanuit de nucleaire rente en anderzijds door energieobligaties te introduceren, dan kan men voldoende eigen middelen op tafel leggen om samen met de financiële sector de volledige financiering rond te krijgen. Daarbuiten ziet men ook dat een soort capaciteitsvergoedingen opduiken om investeerders een bepaalde garantie te geven van inkomsten gezien de vrije markt te weinig zekerheid kan geven.

Hoewel ikzelf ook al vaak gezegd heb dat lange termijn infrastructuur-investeringen niet kunnen zonder garanties - of men moet als overheid zelf investeren - word ik toch wat huiverig bij het zien van zoveel enthousiasme van de sector - of toch een deel ervan - dat dit nu de oplossing is voor al onze problemen. Men dient niet te vergeten dat ook dergelijke mechanismes de marktwerking verder verstoren. Kerncentrales langer openhouden werkt, zoals al omschreven, ook marktverstorend voor nieuwe investeringen en in combinatie met capaciteitsvergoedingen kun je wel eens de perfecte storm creëren die de vrije markt monddood maakt.

Dat men er tot nu toe niet in slaagt om via de vrije markt van vraag en aanbod voldoende zekerheden in te bouwen heeft ook zijn redenen en men zal tegelijkertijd ook extra oplossingen dienen te bieden om de marktwerking te verbeteren. Want uiteindelijk biedt de vrije markt de beste garantie om naar de echte kostprijs te komen - of beter gezegd: de meest concurrerende prijs voor de klant. Onze grootindustrie dient ook te begrijpen dat ze door achterkamer-akkoorden over vriendenprijzen ook meegewerkt hebben aan marktverstoring want iemand moet uiteindelijk toch hun korting betalen.

Dat neemt niet weg dat onze industrie opnieuw moet kunnen groeien en daarvoor dienen de omstandigheden dus aanwezig te zijn, een juiste energieprijs is daar een van en daarvoor is benchmarking met de omringende landen wel een middel. Dan wel onder voorwaarde dat deze landen (min of meer) dezelfde systematiek hanteren en niet, zoals nu bijvoorbeeld, in Duitsland waar de grootindustrie een vriendenprijs krijgt (lees: de kleine verbruiker betaalt veel meer voor dezelfde KWh als de grootverbruiker). Uiteindelijk dienen alle kosten (en dus ook de echte CO2-kost) meegenomen te worden maar dit kan voor een deel alleen als ieder land hieraan mee doet.

Men dient landen die niet willen meedoen te isoleren want het klimaat zal niet wachten op ons, economische redenen zijn drugredenen en klein bier vergeleken met de wraak van moeder natuur. Eenmaal de omslag gemaakt zal het klimaat ons gewoon achterlaten en verder gaan. De prijs hiervoor is vele malen hoger dan het volledig verduurzamen van onze energiehuishouding.

Terugkomend op het uitbouwen van een lange termijn energiebeleid dienen we de uitdaging op te nemen over onze grenzen heen met gelijkgestemde landen van vergelijkbare grootte. Landen als Nederland en Denemarken (en Luxemburg) kunnen een ideaal startpunt zijn om een Europese inktvlek te krijgen die steeds groter wordt.