Energie-Blog

André Jurres

7 sep 2006
128

Nog geen 14 dagen gelden klonken de kanonschoten in Nederland. De lokale minister die bevoegd is voor de promotie van investeringen in groen stroomproductie zei dat Nederland nu reeds de Kyotoverplichtingen haalt. Blijkbaar volstaat het halen van 9% om een duurzaam beleid te voeren, in ieder geval datgene dat we wensen te betalen.
Opvallend was vooral de reactie van de investeerders en bedrijven die projecten aan het bestuderen waren. Zij vielen compleet uit de lucht. En ik had een akelig déjà-vu. Ook in België werden we een paar jaar geleden overvallen door een dergelijke wijziging. Het volstrekte gebrek aan overleg tussen beleidsmakers en de rest van de maatschappij is een zorgwekkend fenomeen. De creatie van een stabiel investeringskader is nochtans algemeen aanvaard als één van de voorwaarden om een duurzaame groei te bekomen.
Ik begrijp de problemen van zovelen die maanden zoniet jaren aan vooronderzoek hebben besteed alvorens hun subsidiedossier in te dienen. Het geld maar vooral de tijd die zij als ondernemers hebben gespendeerd, wordt als definitief verloren beschouwd. Het vertrouwen is geschonden en men kan er zeker van zijn dat wanneer men nieuwe initiatieven lanceert om duurzame energie te promoten, deze ondernemers twee keer zullen nadenken en extra garanties zullen vragen.
Het in België geroemde certificatensysteem, bedoeld om een stabiel subsidiekader te creëren, blijkt contraproductief te werken in andere delen van de energieketen. Bij de liberalisering van de markt wordt hier meteen een extra handicap ingebouwd voor mogelijke nieuwe leveranciers. Aangezien vooral de historische producenten goedkope vormen van duurzame (lees: gesubsidieerde) productie hebben zoals waterkracht en de ombouw van oude kolencentrales zodat men houtpallets kan branden, zijn de nieuwe leveranciers aangewezen op de maximale boete opgelegd (lees: uitgevoerd) door de regulator. Nieuwe leveranciers dienen deze kost één op één door te berekenen aan hun zakelijke en particuliere klanten. Leveranciers die daarentegen goedkope duurzame productie verkregen vanuit een historisch perspectief, kunnen kortingen geven aan zakelijke klanten met als gevolg dat de competitiviteit uit de markt wordt gehaald.
Beleidsmakers geven toe dat dit een onaangenaam neveneffect is van deze vorm van subsidiëring en brengen als oplossing aan om dan maar te investeren in groene stroomproductie. Volgens mij is dit een kromme redenering aangezien dit een ander deel van de energieketen is en dus niet zomaar als voorwaarde kan worden opgelegd om een markt binnen te treden. Eigenlijk gaat het om discriminatie of het ontbreken van een “level playing field”.  De vele rechtzaken tegen dit systeem bewijzen dat zelfs de mogelijke markt grote twijfels heeft over de werking van dit systeem, dat had kunnen werken mochten alle landen in Europa dit hebben toegepast.
Een oplossing zou kunnen zijn om proactief te kijken naar de ervaring in de ons omringende landen en te kiezen voor de beste oplossing. Ik ben van mening dat dit subsidiëring is via het zogenaamde “feed-in” systeem. Hierbij wordt de subsidie rechtstreeks gelinkt aan de investering en niet aan de output. Zo kan men er enerzijds voor zorgen dat dergelijk systeem niet ingrijpt in de leveringsmarkt van de leveranciers en anderzijds de excessen van subsidiesystemen beter monitoren.