Energie-Blog

André Jurres

9 jan 2012
127

Ook dit jaar belooft weer boeiend te worden in energieland. Met veel verwachting wordt uitgekeken naar de aangekondigde wijzigingen in het subsidiesysteem voor duurzame productie in Vlaanderen. Het teveel aan groene stroom certificaten heeft voor een ineenstorting gezorgd van de marktprijs voor kleinschalige producenten en de minimumgarantieprijs die de overheid garandeert, verandert daar niks aan.

Men dient te beseffen dat het verschil tussen leven en dood (lees rendabel of niet) net zit in de laatste euro's die je verdient (lees het verschil tussen een betrouwbare marktprijs en de minimum garantie van de overheid) en deze zijn dus broodnodig. Nog niet zolang geleden (vierde kwartaal 2010) werd schande gesproken over de hoge subsidies voor zonnepaneleninstallaties met als gevolg de beslissing eind 2010 om de subsidies voor zon drastisch af te bouwen. Dat de andere subsidies (lees voor onder andere biogas en wind) ook door het slijk werden gehaald heeft ervoor gezorgd dat de perceptie de werkelijkheid volledig heeft ingehaald.

Ineens werden alle duurzame productieprojecten als een soort vetgemeste, overbetaalde vormen van productie aanzien. De laatste twaalf maanden hebben dit beeld wellicht opnieuw naar de realiteit gebracht met de problemen voor bepaalde installaties in Vlaanderen. Als klap op de vuurpijl kwam daar in 2011 ook nog het Max Green project bij; een oude kolencentrale van Electrabel die werd omgebouwd tot houtverbrander van 200 MW, waar de politici schande over spraken. Dat men dit had kunnen voorkomen door de subsidie voor projecten te plafonneren voor projecten tot 20 MW was op voorhand geweten. Dit voorstel is trouwens nu opgenomen in het advies van de Vreg naar de bevoegde minister toe.        

Dat de quota verhoogd dient te worden voor de leveranciers is een van de eerste stappen, maar het systeem zelf dient vooral stabiel te blijven in deze woelige tijden. De banken die elkaar onderling al niet vertrouwen, stralen dit ook door in hun dag dagelijks werk naar de markt toe. Aan de positieve kant staat dan weer dat de grote vermogens op zoek zijn naar meer zekerheid na hun verliezen op de aandelenmarkt. Je merkt nu dat deze vermogens zich organiseren om in ieder geval een deel van hun vermogen in onze sector te gaan beleggen op lange termijn (lees tien jaar). Een ander voordeel van beleggingen in duurzame productie is dat deze zichtbaar/tastbaar zijn. Een partij als Ackermans & van Haren die rechtstreeks investeert in een centrale is daarvan een tastbaar bewijs.

Dat tien jaar een heel korte termijn is in energieland wordt wel eens vergeten en hier zit waarschijnlijk een spanningsveld tussen passieve investeerders en deze nieuwe sector van duurzame investeringen in productie. Dat de meest duurzame productie niet wordt ontwikkeld door de traditionele spelers (lees de voormalige monopolisten) komt ook vaak door de kleinschaligheid (kleiner dan 20 MW) en het lokale karakter. Zo goed als alle biogasprojecten komen tot stand door lokale mensen die met veel passie en overtuiging beginnen aan dergelijke projecten. Dat deze lokale mensen zich ongemakkelijk voelen bij het onderhandelen met de klassieke energiebedrijven is logisch daar deze grote bedrijven per definitie dominant (willen) zijn. Dat wil niet zeggen dat grote historische energiebedrijven geen rol te spelen hebben in het kopen van de output bijvoorbeeld.

Jammer is wel dat in een jonge sector er ook veel fouten gemaakt worden en er figuren rondlopen die eerder opportunistisch naar de sector kijken. De lange noodzakelijke termijn denken in deze sector staat echter haaks op enig opportunisme en het is dan ook een kwestie van tijd totdat deze figuren verdwijnen daar ze gewoon het geduld noch de kennis hebben om de marathon uit te lopen.

Een mogelijke consolidatie is ook niet uit te sluiten daar je ten eerste kritische massa nodig hebt in je productiepark en ook over een brede balansbasis dient te beschikken om de nodige investeringen en schokken te kunnen opvangen. De vele goede duurzame initiatieven verdienen extra ondersteuning vanuit de overheid als jonge sector die nog kwetsbaar is. Hopelijk vergeet de bevoegde minister dit niet.